Gekarameliseerde vruchten
1 grote appel, geschild; in 4 parten gesneden en klokhuis verwijderd
1 gepelde banaan
een kom water met blokjes ijs
olie om te frituren
Voor het beslag:
100 gr bloem, gezeefd
mespunt zout
1 ei
1 1/2 dl water of spuitwater (eventueel half water half melk)
Voor de karamel:
225 gr suiker
3 eetlepels water
1 eetlepel olie
Doe bloem, zout, ei en het vocht in een diepe kom en sla er met een garde
een luchtig en klontvrij beslag van.
Snijd de stukken appel nog eenmaal door en snijd stukjes van de banaan.
Verhit in een kleine pan met dikke bodem het water en de olie en doe er de
suiker in.
Breng aan de kook en laat het op hoog vuur (niet roeren) inkoken tot het
goudgeel is geworden.
Verhit de olie, doop een paar stukjes fruit in het beslag en bak ze in
enkele minuten aan alle kanten bruin. Bak niet teveel tegelijk.
Doop de hete gebakken stukjes fruit in de kokende karamel en wentel ze
om, zodat ze aan alle kanten zijn bedekt. Gebruik hiervoor een tang of
eetstokjes.
Dompel ze uit de karamel direct in het ijskoude water, zodat de buitenkant
knapperig wordt.
Dompel pas nu de tweede portie fruit in het beslag en bereid die op dezelfde
wijze.
Schik de stukjes fruit bij elkaar op een schaaltje en serveer ze direct.