Noordrijnse mosselen
(2 personen)
Mosselen eten in Noordrijn-Westfalen is, zoals ze zelf zeggen, een solide
aangelegenheid zonder Firlefanz (gekkigheid) aan het fornuis. Dat die
opvatting zo slecht nog niet is, mag blijken uit dit streekgerecht:
Miesmuscheln in Weiszwein. De mosselen worden meestal in het kookvocht
opgediend. Wat ook kan: de soep apart serveren in diepe borden met een
lepel ernaast. Tussen de hapjes soep door mosselen en groenten uit de pan
oppikken en in het bord dopen.
1/2 knolselderij
1 kleine winterwortel
1 ui
1 prei
1 laurierblad
peper, zout
21/2 dl witte Rijnwijn
2 kg mosselen
1 eetlepel boter
1 eetlepel bloem
1 dl room
1/2 bosje peterselie
Schil de groenten en snijd ze in stukken.
Was ze en kook ze onder een deksel met het laurierblad en peper en zout in
de witte wijn zachtjes goed gaar.
Hussel de mosselen zeker viermaal in veel schoon water rond om het zand
kwijt te raken.
Trek dan de eventuele baarden weg, doe gapers weg en leg de rest in de
groentepan.
Leg het deksel erop en kook tot de schelpen open zijn.
Schud de mosselen driemaal op.
Giet het kookvocht af door een zeer fijne zeef of een dungeweven doek.
Smelt de boter in een kleine pan, strooi de bloem er bij, laat die geel
kleuren en schenk er dan, roerend met een garde, bij beetjes het
mosselvocht bij tot het licht bindt.
Voeg de room toe en laat goed doorkoken.
Meng er tenslotte de fijngeknipte peterselie door.
Geef er donker roggebrood met gezouten boter en een glas Rijnwijn bij.