Roti canai

(4 personen)

In Singapore en Maleisië worden roti's canai vaak als ontbijt
gegeten, maar ze passen ook prima bij een curry of een dhal. Je scheurt er
een stuk van af en gebruikt dat als een lepel.
Ze worden ook wel met een pittig dipsausje geserveerd.
Roti's canai zien eruit als pannenkoeken en ze doen, vanwege de naam, ook
denken aan de Surinaamse roti, maar ze zijn veel lichter en
knisperiger.
Het is een hele kunst om het deeg voor roti canai te maken zoals het echt
hoort; flinterdun.
Geoefende koks maken er in hun open restaurants in de straten van
Singapore en Maleisië graag een show van, net zoals de pizzabakker
zijn deeg luchtig maakt door het in de lucht te gooien.
Houd er rekening mee dat alleen al het bakken van twaalf roti's canai
minstens een half uur duurt. De voorbereidingstijd is een kwartiertje en
daarna moet het deeg nog minstens een uur rusten.

400 gr bloem
1/2 eetlepel poedersuiker
1 theelepel zout
1 klein ei
11/2 dl warm water
2 eetlepels olie

Zeef de bloem samen met de poedersuiker en het zout boven een kom.
Klop het ei los en voeg dit toe.
Doe er het hete water bij en kneed het met de handen tot een soepel
deeg.
Maak er een stevige bal van. Voeg zo nodig nog een paar eetlepels heet
water toe.
Kneed het deeg minstens 5 minuten.
Maak van het deeg twaalf kleine balletjes, besprenkel de deegballetjes met
een beetje olie en zet ze afgedekt weg.
Laat het deeg minstens een uur rusten.
Verhit een beetje olie in een koekenpan, of, nog beter, in een speciale
lage pannenkoekpan.
Pak een deegballetje en druk het balletje met de duim vanuit het midden
tot een dunne, bijna doorschijnende deeglap.
Bak de roti aan beide kanten lichtbruin.
Leg de gebakken roti's op een bord en dek ze af met een stuk alufolie.
Bak ze zo alle twaalf.
Vouw de roti's in vieren en leg er drie op ieder bord.
Serveer de roti's met een pittig currygerecht.

Tineke Sluijter