Surinaamse appeltaart met een krokant laagje

1/2 pak mix voor appeltaart (Honig)
1/2 losgeklopt ei
75 gr koude boter
5 stevige appels (Elstar of Jonagold)
citroensap
1 theelepel gembersiroop
50 gr rozijnen en/of krenten
1 borrelglaasje strohrum of cognac
10 gr gehakte sukade
50 gr ananas (blik)
4 druppels amandelessence
4 druppels vanille-essence
1 theelepel suiker + extra suiker voor garnering
gemalen kaneel

Week de rozijnen en/of krenten minstens 30 minuten in de strohrum of de
cognac.
Verwarm de oven voor op 200°C.
Bereid van de mix, het ei en de boter een deeg, zoals op de verpakking
staat aangegeven.
Verdeel het deeg in tweëen en bewaar de ene helft in de vriezer en
het andere deel tot verder gebruik in de koelkast.
Schil de appels, snijd ze in vieren en verwijder de klokhuizen.
Snijd de parten in schijfjes en besprenkel de appel met citroensap om
verkleuren te voorkomen.
Laat de rozijnen en/of krenten uitlekken en vang het vocht op.
Doe het vocht met de appel, de gembersiroop, de amandelessence en de
vanille-essence in een pan, breng het aan de kook en kook de
appelschijfjes beetgaar.
Vermeng de sukade, de theelepel suiker met de rozijnen en/of krenten en
voeg naar smaak kaneel toe.
Vet een vaste bakvorm (lage (quiche)vorm) van ± 25 cm doorsnee in
met boter.
Rol het deeg uit de koelkast uit en bekleed er de vorm mee.
Schep de vulling in de vorm.
Schaaf het deeg uit de diepvries met een grove rasp en verdeel het
schaafsel over de vulling.
Bestrooi de taart licht met suiker en bak hem dan in 1 uur in de oven
goudbruin en gaar.
Laat de taart in de vorm afkoelen.