Stroopwafels I

voor de wafels:
500 gr bloem
250 gr gesmolten roomboter
150 gr witte basterdsuiker
50 gr gist
een beetje lauwe melk
1 ei

voor de vulling:
500 gr stroop
300 gr donkere basterdsuiker
75 gr boter
1 theelepel kaneelpoeder

Het geheim van de stroopwafel valt in twee delen uiteen. De ene helft van
het geheim is, dat u de wafels alleen warm kunt verwerken; anders breken
ze. De andere helft is dat door de stroop boter en suiker moeten worden
gewerkt, waardoor de stroop nog stijver en nog kleveriger wordt.
Ook de bereiding bestaat uit twee delen: het bakken van de wafels en het
maken van de vulling.
Maak van de wafelingrediënten een beslag. Laat u daarbij niet
misleiden door het woord 'beslag', want het wordt een vrij stevige massa
die u met de handen door elkaar zult moeten kneden.
Laat het deeg 3 kwartier rijzen, liefst op een vochtig-warme plaats.
Kneed het dan opnieuw en verdeel het vervolgens in balletjes ter grootte
van een stevige knikker.
Bereid dan de vulling.
Verwarm de stroop en meng er de andere ingrediënten door.
Leg een balletje deeg in een wafelijzer en bak het aan beide kanten
gaar.
Til de wafel met een mes uit het ijzer en snijd hem open als hij nog warm
is (wacht u te lang, dan zal de wafel breken).
Besmeer de ene wafelhelft met de vulling en druk de andere helft erop.
Om te voorkomen dat u niet snel genoeg bent om de wafels open te snijden,
kunt u het bakken en opensnijden het beste met z'n tweeën doen.