Stroopwafels II

500 gr bloem
250 gr roomboter
1 mespuntje zout
1 ei
50 gr gist

Voor de vulling:
500 gr stroop
250 gr boter
150 gr witte basterdsuiker

Maak van de bloem met de gist (die u met wat suiker tot een vloeibaar
papje roert), het losgeklopte ei, het zout en de lauwe gesmolten boter een
gistbeslag en laat dat op een warme plaats 3 kwartier rijzen.
Klop het beslag dan met een houten lepel door en vorm er ± 50
balletjes van, ter grootte van een knikker.
Neem 1 balletje, leg het tussen het met boter ingevette, voorverwarmde
wafelijzer en druk het ijzer heel losjes dicht.
Bak de wafels op een niet te fel vuur in een paar minuten gaar, maar niet
te bruin.
Steek er, zodra het wafeltje uit het ijzer is genomen, met de punt van een
mesje tussen (het wafeltje moet van binnen hol zijn; dat bereikt u door
het ijzer losjes dicht te drukken en de wafeltjes niet te vlug te bakken)
en vul het meteen met het stroopmengsel.
Verwarm de stroop met de suiker en de boter au bain-marie en zorg dat het
mengsel constant op temperatuur blijft.

Het is handig als u dit werkje met 2 personen doet: de een bakt, de ander
Splitst de wafels en doet het stroopmengsel erin.