Pâté
Pâté kunt u maken met vlees, kip of wild.
Bekleed de bodem en de zijwanden van een ovenvaste schaal van ± 1
liter inhoud met ± 100 gr vers vet spek (lardeerspek) (vertel uw
slager waarvoor het is, dan geeft hij u de juiste soort).
Maal een mengsel van 300 gr kipfilet of varkensvlees, 100 gr kalfsniervet,
350 gr kippenleveertjes, peper, zout en 1 grote ui (vraag eventueel uw
slager om het spek, de lever en het vlees voor u door de gehaktmolen te
draaien).
Voeg fijngehakte kruiden, een scheut slagroom en een borrelglas cognac
toe.
Vul de schaal hiermee voor 2/3 deel en dek met 100 gr ontbijtspek in
plakjes af.
Leg er nog een laurierblaadje op.
Dek de schaal vervolgens met het deksel of met een stuk aluminiumfolie
af.
Zet de afgedekte schaal in een braadslede, gevuld met heet water en laat
de pâté in een tot 175 °C voorverwarmde oven in ±
1 1/2 uur gaar worden.
Controleer of de pâté gaar is door er met een breinaald in te
prikken. Het sap dat eruit komt, moet wit van kleur zijn.
Haal de pâté uit de oven en laat hem onder druk afkoelen (leg
op de pâté eerst een plankje of schoteltje en daarop een
zwaar voorwerp).
De pâté smaakt na 1 of 2 dagen beter.
Bewaar hem in de koelkast, maar niet langer dan een week.
U kunt hem als voorgerecht serveren, maar hij leent zich ook uitstekend
als hapje bij de borrel.