Worstebroodjes

500 gr 'fijn' brooddeeg
300 gr mager rundergehakt en 150 gr mager varkensgehakt
1 snee witbrood
1 ei
zout, peper, nootmuskaat, kerrie
1 eierdooier
water

Maak het deeg en laat het na het kneden afgedekt met een dikke bebloemde
doek 15 minuten rusten.
Maak het gehakt met het in water geweekte en weer uitgeknepen brood, de
ei, zout, peper, nootmuskaat en heel weinig kerrie aan en maak er ±
12 rolletjes van 12 cm lang.
Vet een bakblik in.
Rol het deeg op een met bloem bestoven aanrecht uit tot een min of meer
rechthoekige lap met een dikte van 1/2-3/4 cm (controleer of de lap los
ligt) en verdeel de lap met een scherp mes in rechthoekjes van 18 x 12
cm.
Bestrijk de lapjes met water en leg op elk lapje een rolletje gehakt.
Vouw eerst de korte kanten om het gehakt en dan de lange kanten (voorkom,
dat er veel lucht tussen het vlees en het deeg komt en zorg, dat het deeg
goed op elkaar sluit).
Leg de worstebroodjes met de over elkaar geplakte kant naar onderen op
het
ingevette bakblik (bewaar enige afstand tussen de broodjes, zodat ze nog
de gelegenheid hebben uit te dijen).
Dek de broodjes met een dikke bebloemde doek af en zet het bakblik op een
warme plaats, zodat de broodjes kunnen uitrijzen (30-45 minuten).
Bestrijk de uitgerezen broodjes met verdunde eierdooier (1 eierdooier, 2
theelepels water) en zet het bakblik 20-30 minuten iets onder het midden
in een op 200-225 °C voorverwarmde oven.
Serveer deze worstebroodjes warm.